arrow_drop_up arrow_drop_down
Jongensturnen: Blog met tips over de basis van Maud
29 augustus 2020 

Jongensturnen: Blog met tips over de basis van Maud

Daar ben ik weer! In deze blog geef ik een aantal algemene tips en informatie over het jongensturnen. Welke toestellen worden er beoefend, en welke elementen trainen ze hier op? Het jongensturnen wordt beoefend aan zes toestellen: mat (vrije oefening), rekstok, brug gelijk, ringen stil, sprong en paard voltige.  Hieronder licht ik per toestel een specifiek onderdeel uit. De toestellen die aan bod komen, zijn  ringen stil, brug gelijk en paard voltige.

jongensturnen

[[showindex]]

Ringen stil bij jongensturnen

Het zwaaien aan de ringen stil is lastig omdat je zwaai op twee punten schommelt, de ringen om het ophangpunt en jijzelf om de plaats waar jij de ringen vast hebt. Knijpkracht in de handen en kracht in de schoudergordel zijn van groot belang bij het jongensturnen.

Vanuit een goede zwaai kun je dan onder andere onderdelen doen als:
Vouwhang | Omgekeerde hang | Inloqueren |  Disloqueren

Aandachtspunten

– Houd je lichaam gespannen en gestrekt (voor afgevlakt en achter licht overstrekt)
– Duw de ringen naar en naar buiten
– In de voorzwaai kijk je naar je tenen en in de achter zwaai kijk je recht onder je naar de mat/

Brug gelijke liggers

Het steunzwaaien in de brug gelijk is een onderdeel dat veel spierkracht en coördinatie in de schoudergordel vereist. Verschillende vooroefeningen zijn dan ook van groot belang in het jongensturnen. Voor hele jonge kinderen kan het zijn dat de afstand tussen de brugliggers nog wat groot is, je kunt dan eventueel twee kasten of delen van kasten vlak naast elkaar zetten. Aangezien goed steunen heel belangrijk is voor het zwaaien in de brug gelijk, kun je als voorbereiding hele leuke steunvormpjes doen met of zonder brug.

Zonder brug
– Met tweetallen in ligsteun tegenover elkaar: bij elkaar proberen een arm weg te trekken. Wie blijft het langst in ligsteun?
– Kruiwagenloop

Aandachtspunten

– Maak een actieve streksteun | In de achter- en voorzwaai is je lichaam afgevlakt | In de achterzwaai kijk je naar de grond
– In de voorzwaai kijk je naar je tenen | Let  op een goede vormspanning

Emmerflanken bij jongensturnen

Het paard-voltige is een onderdeel waarvoor goed kunnen steunen noodzakelijk is. Naast de vele zwaai-onderdelen is de flank wel een van de basisonderdelen die op het paard voltige in allerlei variaties wordt uitgevoerd. Net als bij het zwaaien in de brug gelijk gaat als voorbereiding voor de flank ook vele steunvormen vooraf:

  • Ligsteun op de grond: terwijl de voeten een beetje op de plek blijven, ga je met de handen een rondje lopen.
  • In ruglingse ligsteun: door middel van afzet van een hand even steunen op een hand (probeer je gewicht te verplaatsen)
  • In ruglingse steun: nu met de voeten een rondje draaien terwijl de handen bij op de zelfde plaats blijven.

 

Voordat je het flanken op het paard-voltige kunt gaan doen zijn er een aantal hulpmateriaal om de flank te oefenen, zoals:
– Een emmer aan een touw die aan een ring hangt
– Een paddenstoel

Aandachtspunten:
– Met sokken in de emmer | Benen, tenen moeten gestrekt blijven | Met gestrekt lichaam de emmer rond laten gaan. | Handen zoveel mogelijk op dezelfde plaats neerzetten

Scharen

 

voltige

Springen bij jongensturnen

Wat wordt er nou eigenlijk bedoeld met springen? Met springen bedoelen we in het turnen meestal toestelspringen. Toch kennen we ook het springen met bv. de minitramp.

We kunnen springen met behulp van verschillende materialen:
– Springplank | Minitrampoline | Dubbeleminitramp | Trampoline  | Tumblingbaan |Airtrack

Daarnaast kun je op of over verschillende toestellen springen. De meest voorkomende toestellen die gebruikt worden om op of over te springen zijn:
– De springkast | Het paard | De tafel | De bok | De pegasus

We kunnen het springen onderverdelen in vrije sprongen en steunsprongen. Met vrije sprongen wordt bedoeld dat je na de afzet van de minitrampoline geen toestel meer aanraakt. Voorbeelden van vrije sprongen zijn bij het onderdeel mintramp en landingsmat bijvoorbeeld: de streksprong en een salto. Met steunsprongen raak je na de afzet van een springplank of mintramp nog wel een toestel aan. Bij het plankspringen met de kast spreken we dan bijvoorbeeld over een hurksprong of handstandoverslag.

Een sprong is onder te verdelen in een aantal fasen. Bij de vrije sprongen zijn dit:
– Aanloop en aansprong | De afzet van de minitramp | De zweeffase | De landing

Belangrijk bij steunsprongen

Er zijn een aantal zaken die je moet weten bij het springen bij jongensturnen. De aansprong naar een plank is anders dan de aansprong naar een minitramp. Bij de minitramp spring je met een boogje en is de aansprong iets minder lang. Bij een springplank is de aansprong lang en vlak.

De landing is eigenlijk het belangrijkste van een sprong. Een goede landing betekent vaak dat de sprong ook goed is (geweest). Hoe ziet een goede landing eruit?
– Voeten op heupbreedte | Landing opvangen door buigen in enkel, knie-en heupgewricht | Rug iets bol
– Armen schuin voor, iets opzij | Je kunt een paar seconden (stil) staan.

Aandachtspunten

– Rechtop in de minitrampoline springen | Niet teveel in de knieën buigen. | Met armen omhoog uit de mintramp springen
– Iets inveren bij de landing | Bij de insprong de armen achter en dan snel opzwaaien naar voren.

Steunsprongen

Van de steunsprongen behandelen we twee veel voorkomende sprongen die vaak aan de orde komen bij het jongensturnen: de hurksprong met behulp van de kast of paard, en de spreidsprong over de bok.

Heel belangrijk is dat het kind goed moet kunnen steunen. Allerlei vormen van steunen zoals wendsprongetjes, hazensprongen, hurkop-spreid af sprongentjes over banken of bv. kruiwagenloop, zijn dan een goede voorbereiding. We kiezen ervoor om te beginnen met de spreidsprong. Spelenderwijs doen kinderen dit al op het schoolplein en maken onbewust kennis met aanloop, afzet en steunfase.

De keuze kan gemaakt worden om te springen vanuit een minitrampoline of vanuit een reutherplank. Dit is afhankelijk van de groep en de doelstelling. Wij kiezen ervoor om te beginnen met het aanleren van bokspringen met de reutherplank.

Aandachtspunten

– Versnellende aanloop | Insprong ver en laag bij reutherplank | Handen op de achterzijde van het toestel plaatsen
– Kort contact met het toestel houden (afduwen/kaatsen) | Kijk naar de muur voor je (romp blijft rechtop)

Trapeze-zwaaien

Trapeze-zwaaien is een onderdeel waarbij we direct aan het circus denken. Maar ook in een gymzaal kun je aan de trapeze zwaaien. Veel heb je er niet voor nodig: een aantal trapeze stokken. Als je deze hangt aan de ringen, dan kun je aan de trapeze zwaaien.

Trapeze zwaaien kun je verdelen in:
Zwaaien in steun: voor je gaat zwaaien in steun, moet je eerst goed kunnen steunen. Wanneer je de trapezestok op ongeveer borsthoogte hangt kun je opspringen in steun.
Zwaaien in hang: Bijvoorbeeld vanaf een kast naar de landingsmat, of vanaf een kast naar een andere kast.

Wanneer je goed kunt steunen in de zwaai kun je onderdelen doen om in steun te komen: bv. de borstwaartsom of om uit de steun te komen: bv. voorover duikelen of een soort salto beweging te maken in de voorzwaai.

Het trapeze zwaaien vraagt, net als het ringen zwaaien om duidelijke veiligheidsmaatregelen. Bij het werken vanaf een verhoging moet de afstanden tussen het ophangpunten en de verhoging en tussen het ophangpunt en de landingsplaats goed gekozen worden. Bij het trapeze zwaaien onderscheiden we het schommelen, steunzwaaien en het hangzwaaien. Het zwaaien in hang benadert het ‘echte’ circuswerk.

Ringen zwaaien

Bij het leren zwaaien in de ringen is het van belang dat de leerling het tempo en ritme van het zwaaien ontdekt, hierbij staat het lang zijn in hang, het opzwaaien van de benen in de voor- en achter zwaai en het maken vaan een twee-passen ritme onder het ophangpunt centraal. Met ringzwaaien bereik je grote hoogten. Tijdens het turnen aan dit toestel vragen we je extra om te letten op: een goede organisatie en veiligheid.

Aandachtspunten

– Zorg voor een rustige werksfeer | Werkvorm ‘commando’ | Kinderen vooraf op lengte plaatsen | Groepen maken van minimaal 3 kinderen
– Behoud overzicht | Strakke organisatie (1,2,3 eeeeeeeeeeeeeeeen START) | Korte beenzwaaien | Zwaaien met het gezicht van de groep af
– Matjes minimaal op de landingsplaatsen | Elkaar hulpverlenen | Leer zo snel mogelijk de afsprong aan

Rollen

Het rollen is een beweging waarbij je draait om je breedte-as. Je kan zowel voorover, achterover als zijwaarts rollen en op verschillende toestellen. Het rollen op de mat is de basis, daarna kan je verder met het rollen op de balk (voor meisjes) of op de brug gelijk (voor de jongens).

De rol heeft enige verwantschappen met de salto. Gaat het bij het aanleren van de rol fout, dan wordt het aanleren van de salto nog moeilijker.
Wat rolt het best?  Een bal
Waarom? Omdat een bal aan alle kanten rond is
Wanneer gaat iets aan het rollen? Als een bal door iets anders in beweging wordt gebracht, bv. door een schop tegen de bal te geven of vanuit zichzelf als de bal niet in evenwicht is, bv. vanaf een schuin vlak.

Algemene regels bij het aanleren van de rol zijn, dat bij de opbouw gebruik wordt gemaakt van zachte schuine vlakken die steeds minder schuin en steeds iets harder worden.

Aandachtspunten

– Trek je knieen naast je oren | Probeer je heupen los van de mat te krijgen | Houd je hielen tegen je billen. | Bij het omhoog komen je handen naar voren toe steken

Rol achterover

Bij de rol achterover vormt het hoofd het grootste obstakel, deze zit als het ware in de weg. De leerling zal zichzelf over zijn hoofd heen moeten duwen. Belangrijk is hierbij de handplaatsing van de leerling. De handplaatsing is boven het hoofd waarbij de handen een ‘dakje’ vormen. De vingers wijzen naar elkaar en de ellebogen zijn naar buiten gedraaid. Dit is een betere uitgangspositie om uiteindelijk tot de stutrol te komen.

Salto

De salto is een moeilijk uit te voeren onderdeel in het jongensturnen,  en het is ook moeilijk om hieraan hulp te verlenen of te vangen. Er zijn veel verschillende manieren om een salto (voorover of achterover) aan te leren en manier om hulp te verlenen. Het hulpverlenen aan de salto zonder toestelhulp mag niet zonder ervaren leider uitgevoerd worden.

Kleine en middel grote cirkeldraaien

Een cirkeldraai is een beweging waarbij je draait om je breedte-as met het toestel als draai-as. Er zijn drie soorten cirkeldraaien, waarvan we alleen de eerste zullen behandelen: kleine draaien waarbij de heup zich dicht bij de stok bevindt tijdens de draai. Bv. de borstwaartsom en de buikdraai. Middelgrote draaien waarbij de heup zich verder van de stok af begeeft. Bv. de zolendraai. Grote draaien waarbij de heup zich maximaal ver van de stok af bevindt bv. bij de reuzendraai.

Middelgrote draaien: de onder draai ( ondersprong)
Om een onder draai te maken moeten de kinderen ervaring hebben met eenvoudige hang, zwaaien en draai vormen. Denk bv. aan: vanuit steun duikelen voorover tot hang. Het is een zwaai/ draai beweging waarbij de armen altijd gestrekt blijven. De stok/ ligger moet op ooghoogte zijn. Tijdens de beweging moeten de heupen zo hoog mogelijk komen (stok/ ligger hoogte).

Variaties bij de onder draai zijn:

  • Eenbenige afzet
  • Tweebenige afzet
  • Een onderdeel ervoor, bv een borstwaartsom of een buikdraai
  • Uitbreiden met een halve draai aan het eind van de beweging

Aandachtspunten (borstwaartsom)

– armen buigen en gebogen houden | dicht bij de stok blijven | heupen/buik naar de stok brengen | Benen over de stok schoppen | blijf naar je tenen kijken

Bron: Eigen mening, assistent leider niveau 2 en turnreader CIOS

Over de schrijver
Hallo, ik ben Maud Zentveld, 17 jaar oud en turn bij de vereniging A.Z.T.V Zevenbergen!
Reactie plaatsen